“Alle betrokkenen onderschrijven de gedachte dat de irrelevantie van metafysische vraagstellingen in onze tijd geenszins bewezen is en dat er wel degelijk plaats is voor historisch en systematisch denken over vragen betreffende rationaliteit, transcendentie, werkelijkheidsopvatting en de vooronderstelde principes van wetenschap en praxis. De modieuze suggestie dat bepaalde vragen en denkwijzen in onze tijd ‘niet meer kunnen’ - of men zich hierbij nu beroept op Kant, op Heidegger, op Derrida of op Wittgenstein - wordt niet zonder nader onderzoek geaccepteerd. Daarbij wordt er uiteraard ook geen enkele pretentie op na gehouden dat het onderzoek met dit boek zou zijn afgerond [...]”
(Uit de Inleiding van Dr L.E. Fleischhacker, p. 18.)
Het in dit boek gevoerde debat is niet alleen van eminent wijsgerig belang; het is door zijn heldere opzet en jargon-arme taalgebruik ook een intellectuele uitdaging voor rechtsfilosofen en -sociologen, cultuurhistorici, politicologen, theologen, medici en makro-economen in Nederland en Vlaanderen die over de fundamenten van hun discipline willen nadenken.
Uit de reacties:
'Een voor het Nederlandse taalgebied vrij unieke, boeiende discussie.'
Prof. Dr F.R. Ankersmit, Rijksuniversiteit Groningen.
'Het eerste deel van de Acta heeft allure niet alleen uitgavetechnisch, maar ook en vooral inhoudelijk door de voortreffelijke bijdragen en discussies van verschillende vooraanstaande denkers en filosofen. Het is een prestigieus boek dat pleit voor het Rudolf von Laun Instituut en waarvoor ik u zonder meer feliciteer.'
Prof. Dr H. de Schepper, Radboud Universiteit Nijmegen.

Wat in Macht und Sein op fundamentele, zij het moeilijk toegankelijke, wijze wetenschappelijk is aangetoond (de zgn. theorie van de dubbele waarheid) wordt nu voor de eerste keer bediscussieerd door een groep collega-filosofen, in dit eerste deel van de “Acta Launiana'.
In de westerse wereld weerklinkt steeds luider een roep om herstel van het evenwicht tussen verstandelijkheid en redelijkheid in wetenschap en maatschappij. Of het nu de door Isaiah Berlin geïnspireerde Britse Amerikaan Stephen Toulmin is, de Fransman Alain Finkielkraut of Robert Spaemann in Duitsland - allen hebben zij gemeen dat zij krachtige pleidooien houden voor de terugkeer van de redelijkheid in het wetenschappelijke debat als antwoord op de crisis van de post-moderne maatschappij.
Ofschoon wetenschappers van naam de noodzaak hiervan meer en meer inzien, is tot nog toe niemand in staat gebleken de objectieve wetenschappelijkheid van het denken dat de rede een plaats geeft naast het verstand te bewijzen. Het probleem is dat de inhoud van beide begrippen vaak niet onderkend wordt. Hoe kan het ook anders, als zelfs de Van Dale beweert dat ‘verstandelijk’ en ‘redelijk’ elkaars synoniem zijn?